Ontwerp van het Nieuwe Stedelijk

Klik hier voor een impressie van het nieuwe Stedelijk Museum

Klik hier voor het eerste grote interview met de architecten van het nieuwe Stedelijk


Jury rapport architectenselectie Nieuwe Stedelijk Museum (m.b.t. de winnaars Benthem Crouwel Architecten)

Op 6 juni 2004 werden vijf architectenbureaus door de gemeente Amsterdam uitgenodigd om schetsontwerpen te maken voor het nieuwe Stedelijk Museum aan het Amsterdamse Museumplein. De selectiecommissie heeft niet met opzet uitsluitend Nederlandse architecten gekozen uit de ruim 40 aanmeldingen die via de Europese procedure waren binnengekomen. Onvoorwaardelijke geschiktheid voor de specifieke opgave waarbij nieuwbouw en renovatie van de oudbouw elkaar completeren, was het criterium.

De jury vond de volgende vijf bij uitstek voor de meervoudige opdracht gekwalificeerd: Architectuurstudio Herman Hertzberger, Benthem Crouwel Architecten, Henket & Partners Architecten, Diederen, Dirrix Van Wylick Architecten en Claus en Kaan Architecten.
De vraag was een schetsontwerp te maken voor  uitbreiding van het Stedelijk, in nauwe samenhang met herziening van het in deplorabele staat geraakte oude gebouw – een rijksmonument - van architect A.W. Weismann uit 1895.  

Aan het gedetailleerde Programma van Eisen (ruimtelijk, functioneel en technisch), dat in nauwe samenwerking met de medewerkers van het Stedelijk Museum tot stand kwam, ging een bespiegeling vooraf over de historische en stedenbouwkundige context, over de geest en de culturele status van het nieuwe Stedelijk Museum. Een citaat uit deze preambule: ‘Eigenwijs brandpunt van het culturele leven, dat is de positie die het Stedelijk Museum in de komende jaren wil heroveren. Dit kan alleen wanneer het de kenmerken van de hoogtijdagen herwint: inspirerend, spraakmakend, toonaangevend, avontuurlijk. Publiek en kunstenaars moeten goede gronden krijgen voor nieuwe liefde. ‘Het museum wordt in Amsterdam weer een bezielende ontmoetingsplaats, niet alleen voor iedereen die van beeldende kunst en vormgeving houdt. Ook zij die vallen voor de ijdele mix van mode en design die lifestyle heet, voelen zich aangetrokken. ‘Afspreken’ in het Stedelijk Museum moet weer vanzelfsprekend worden.’

Ziehier de vitale stemming van het toekomstige Stedelijk die straks mede door de architectuur van de uitbreiding een bedding moet krijgen.

Over de stedenbouwkundige inpassing op het Museumplein staat in de preambule:

De ontwikkeling van het nieuwe Stedelijk biedt de aantrekkelijke mogelijkheid om de oriëntatie van het ensemble – oudbouw plus nieuwbouw – om te draaien van de Paulus Potterstraat richting Museumplein. Dat zou ook verlegging van de entree kunnen betekenen, bijvoorbeeld naar de Van Baerlestraat of naar het Sandbergpleintje. (…) Wanneer het nieuwe Stedelijk zich meer en face op het Museumplein richt – tegemoetkomend aan het verlangen naar een open, toegankelijk karakter – vormt het ‘ezelsoor’ van de ondergrondse parkeergarage een obstakel. Het moet mogelijk zijn om deze naar het museum toe afkerende houding van het tuinlandschap, op esthetisch verantwoorde wijze betaald te zetten.’

Opmerkelijk dat in de preambule alleen de Van Baerlestraat en het Sandbergpleintje worden genoemd als mogelijke nieuwe entreelocatie en niet het Museumplein, hoewel daar de vierde gevelzijde ligt. Gezien de innige wens van het nieuwe Stedelijk om zich fysiek naar het Museumplein te willen manifesteren is de lange pleingevel de meest ideale zijde voor de hoofdentree. Maar ja, het ezelsoor.

De tot zeven meter oprijzende grashelling die de ingangen van de ondergrondse Albert Heijn en de parkeergarage herbergt, is in trek als zonneweide. En ook als de zon niet schijnt, vleien junks, hangplekjongeren en verliefden zich hier ontspannen neer naast hondenuitlaters uit Amsterdam-Zuid.  De creatie van de Deense landschapsarchitect en ontwerper van het Museumplein, Sven-Ingvar Andersson, is een publiek succes. Voor architecten die tekenen aan de uitbreiding van het Stedelijk Museum is de halfpiramidale helling een nachtmerrie. Omdat deze de grens van het bestemmingsgebied langs een lange lijn markeert, wordt elk uitbreidingsplan van het Stedelijk Museum per definitie met het ezelsoor geconfronteerd.

(...)

Nee, dan het ontwerp van Benthem Crouwel. Dit laat zien dat alleen door het radicaal anders aan te pakken een entreepartij aan de kant van het Museumplein wel degelijk mogelijk is. Het brutaal ogende plan biedt de beste stedenbouwkundige oplossing met als verrassend hoogtepunt een  piazza voor de nieuwe hoofdingang. Het Stedelijk Museum van Benthem Crouwel is een zelfbewuste, uitnodigende verschijning die het publiek al van veraf nieuwsgierig zal maken.

Opzienbarende ruggengraat van het ontwerp is een reusachtige luifel die ter hoogte van de daklijn van het oude Weissman-gebouw en over de gehele gevellengte veertig meter naar voren steekt. En naar voren betekent richting Museumplein. Aan het vleugeldak hangt een lob-achtig volume waarin het auditorium en twee tentoonstellingszalen – met bovenlicht – zijn ondergebracht. Omdat de overige expositiezalen en multifunctionele ruimtes ondergronds komen te liggen – met vides en lichtschachten voor daglicht – kan het terrein tussen ezelsoor en het Weissman-gebouw grotendeels onbebouwd blijven. Zo komt er ruimte voor een entreeplein onder het ver uitkragende dak, op de plaats van de vroegere museumtuin.

Overigens wordt het ezelsoor zelf door de machtige luifel en de ruimte eronder gekleineerd en aan de kant van het nieuwe Stedelijk Museum afgeblust met een mooi contrasterende fietsenstalling. Van hinderlijk obstakel is het een vriendelijk plastiek geworden.

Het ontwerp van Benthem Crouwel is zo krachtig dat de gewenste oriëntatie-verandering van het museumensemble richting Museumplein vanzelfsprekend tot stand komt. Het nieuwe entreegebied vormt met de aangrenzende publieke ruimten als kenniscentrum, winkel en restaurant een grote, open transparante ruimte tegen de achtergrond van het rode baksteen van het zichtbare en onaangetaste, oude gebouw.

Het is een beeld dat in de inleiding bij het Programma van Eisen beschreven staat:
`De lastigste opgave is om van het Weissman-gebouw  en de nieuwbouw één geheel te maken, gegeven dat de architectuur van beide delen hemelsbreed van elkaar verschillen. Het einde van de negentiende eeuw naast het begin van de éénentwintigste eeuw. Beter nog dan ‘naast’ is het woord samen.(…) Mondriaan heeft het eens gehad over ‘het zien van de ware eenheid door tegendelige tweeheid’. Een mooie leidraad. Het Weissman-gebouw is de geschiedenis, de nieuwbouw is de toekomst en samen vormen zij de vloeiende continuïteit van het Stedelijk Museum. Eenheid in tweevoud.’

Het is Benthem Crouwel gelukt om het begrip ‘eenheid in tweevoud’ op superieure wijze gestalte te geven. Dat is een kwestie van architectuur. Bovendien is het Benthem Crouwel gelukt om het gezicht van het Stedelijk Museum om te wenden naar het Museumplein. Dat is een kwestie van stedenbouw. Op beide terreinen tonen Benthem Crouwel zich met dit ontwerp meesters in het métier. Realisatie van het plan van Benthem Crouwel is iets om je op te verheugen.   
       

Wim Pijbes
Wim Quist
Maarten Kloos
Max van Rooy
Toon Verhoef
Hans van Beers
Herman van Vliet
Sjoerd Soeters
                 
Amsterdam, dinsdag 31 augustus 2004